700 jaar geschiedenis in vogelvlucht

Een Pamels cijnsboek uit 1391 levert het oudste, schriftelijk bewijs voor het bestaan van een windmolen op de huidige molensite. Maar wellicht stond er reeds een molen in het begin van de 14de eeuw. Minstens vier keer werd een windmolen heropgebouwd of vernieuwd. Omdat archiefbronnen ontbreken, blijven over de ontwikkeling van de molensite tot 1655 - maar ook erna - een aantal punten vaag.

Een banmolen van de heren van Lombeek en de heren van Gaasbeek: 1300-1655

Vermoedelijk rond 1300-1345 bouwt de Lombeekse leenheer, Diederik van Walcourt, voor het eerst een windmolen. De windrijke heuvel, midden de velden, vormt een ideale plek. In 1381 komt de heerlijkheid Lombeek, en dus ook de windmolen, in bezit van de heren van Gaasbeek.

Heel waarschijnlijk heeft de molen het statuut van banmolen: op straf van boete moeten de onderdanen in die molen, tegen betaling uiteraard, hun graan laten malen. De molenaar pacht de molen van de leenheer. Bezit van molens was een feodaal privilege, enkel de leenheer had het voorrecht molens te bezitten.

Als druk bezocht bedevaartsoord kent Onze-Lieve-Vrouw-Lombeek in de middeleeuwen een sterke bloeiperiode. Het kleine dorp heeft vier molens, waaronder een rosmolen, om aan de grote vraag naar maalcapaciteit te voldoen.

Periode van crisis: 1655-1723

Na een periode van verval en inactiviteit, laat de laatste Gaasbeekse eigenaar, Alexander de Renesse, in 1655 een nieuwe molen bouwen. Maar om de enorme schulden van zijn onbesuisde vader in te lossen, is hij verplicht in hetzelfde jaar de nieuwe molen te verkopen aan ridder GabriŽl Le Febvre, heer van Tiercelet.

We weten dat de nieuwe eigenaar twee jaar later al een nieuwe molen opricht, maar de reden? Was intussen de molen nogmaals vernield?

In 1689 verwerft Jan Dors, procureur van de Raad van Brabant, het molencomplex. Na edelen volgen nu Brusselse patriciŽrs elkaar op als moleneigenaar. Veel geluk heeft Jan Dors niet met de molen. In 1690 branden troepen van de Franse koning Lodewijk XIV molen en molenhuis plat.

Andere molens, tientallen huizen en hoeves uit de streek ondergaan dezelfde straf voor het niet of onvoldoende betalen van oorlogsbelasting. Familie Dors stelt het plaatselijk bestuur verantwoordelijk en krijgt na jaren procederen in 1721 een schadevergoeding.

Intussen ligt het molenperceel er verlaten bij. Zoals de aankoopakte bijna letterlijk meldt, koopt de Brusselse patriciŽr, Egidius De Mesmaeker, in 1716 een overjaarse hoop puin. De bouw van een nieuwe molen wordt voorbereid.

De huidige molen dateert uit 1723/1727
(en niet 1760?)

Een exact jaartal is moeilijk te bepalen, maar wellicht in 1723 en zeker in 1727 is de nieuwe molen een feit. Een rode balkinscriptie "P.V.L 1727" zou, aannemelijk, verwijzen naar molenaar Peeter Van Lierde die dat jaar molenaar wordt. Het molenhuis is af in 1732.

Nu wordt algemeen aangenomen dat deze molen uit 1723/1727 de huidige molen is. Lange tijd bleef in de literatuur 1760 als geboortejaar vermeld, op basis van de inscriptie "M.d.M. 1760" in de steenbalk. M.d.M. zou verwijzen naar Molen of Meester de Man, de illustere heer van Lennik die meerdere molens liet bouwen. Maar zoals auteurs Van Herreweghen en, recenter, Struyf aantonen, is het voorbarig om uit die ene inscriptie en enkele brandsporen te besluiten dat de molen in 1760 vernield en integraal heropgebouwd werd.

Bovendien verwerft Carolus de Man pas twaalf jaar later de molen. Verder onderzoek kan uitsluitsel geven. Maar vast staat dat de windmolen, zoals de meeste molens uit onze gewesten, dateert uit de 18de eeuw en, na jaren van oorlog, met de heropbloei van de economie en landbouw een gouden tijd tegemoet gaat.

Grondige renovatie van het molenhuis in 1784 geeft het gebouw het huidige uitzicht. Of ook de molen veranderingen ondergaat is een open vraag. De inscriptie 1785 in de noordelijke teerling vond nog geen definitieve verklaring.

Van 1800 tot 2000: de windmolen overleeft!

Gegevens over de molen in de 19de eeuw zijn schaars. In 1835 is met Jan-Baptist Van De Velde voor het eerst de molenaar ook eigenaar van de molen. Vanaf 1859 hoort de molen een eeuw lang de familie Walraevens toe. De windmolen blijft tot in 1940 in bedrijf, maar dan is hij zoals andere molens onverbiddelijk uit de markt geconcurreerd door de industrialisering, nieuwe energiebronnen en veranderende landbouw.

In 1944 beschermt de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen de windmolen als monument. Vanaf 1954 houden diverse vrijwilligers onder bezieling van molenaar Henri Van Nuffel de molen in lente en zomer draaiend. Bezieling waarbij vraagtekens kunnen geplaatst omdat in april 1972 de familiale molen van Van Nuffel met het oog op een immobiliaire speculatie koudweg tegen de grond getrokken werd om daarna definitief te verdwijnen. Eigenaren Rooselaers en Heremans voeren restauratiewerken uit in 1954, 1970 en 1974.

Gelukkige slotsom:
de Hertboommolen blijft overeind.

Op de openbare verkoop in 1999 koopt Jozef Van Waeyenberge de windmolen en molenhuis. Een noodzakelijke en grondige, maar niet alledaagse renovatie wordt uitgevoerd om de molen opnieuw maalvaardig te maken en het waardevolle erfgoed open te houden voor het publiek.

 

 

 

 

De historie
De streek
Geschiedenis
Het dorp
Tijdsbalk
Literatuur