Functie, type en aandrijfkracht

De Hertboommolen is een houten staak- of standaardmolen met open voet. Naar functie is het een korenmolen.

Korenmolen in het agrarische Pajottenland

Zoals de meeste molens in het Pajottenland en de overgrote meerderheid van de molens in het algemeen is de Hertboommolen een koren- of graanmolen. Hij diende voor het malen van graan. Logisch, nog in 1866 besloegen graangewassen één derde van de totale oppervlakte van Onze-Lieve-Vrouw-Lombeek.

Korenmolens vormen sinds de middeleeuwen een onmisbare schakel in de landbouweconomie. De vraag naar maalcapaciteit is groot; brood is het belangrijkste levensproduct.

Molens zijn niet altijd korenmolens. De draaiende molenbeweging kan gebruikt worden voor verschillende doeleinden. Er bestaan oliemolens, poldermolens voor het droogleggen van polders of moerassen, zaagmolens, papiermolens, …

Staakmolen: eenvoud en kracht

Dat kruisvaarders de verticale windmolen meebrachten uit het Oosten is een historische mythe. Meer zelfs, de oudst bekende vermeldingen en afbeeldingen lijken erop te wijzen dat het model van Vlaamse oorsprong is. Alleszins zeker: rond 1200 duikt de staakmolen op in onze gewesten. De ingenieuze en sierlijke staakmolen wordt algauw het meest verspreide molentype.

Het principe van een staakmolen is eenvoudig, de constructie een gedurfd en zorgvuldig berekend evenwicht van krachten. De staak of standaard is de centrale, verticale spil waarrond de hele molen 360° kan draaien. Zo worden de wieken naar de wind gezet. In molenaarstermen: kruien.

Meer in detail: de molenkast is opgebouwd aan de dwarse, horizontale steenbalk. Die ligt en draait op de staak. Molenkast en staak (samen dertig ton) worden overeind gehouden in de molenvoet. De staak zelf steunt niet op de grond! Acht schuine steekbanden brengen de last over op horizontale kruisplaten die tegelijk de staak loodrecht verankeren. De kruisplaten rusten op vier gemetselde blokken: de teerlingen.

Het kruien doet de molenaar met de windas of haspel onderaan de trap, die hangt aan de staartbalk van de molen. Eenmaal naar de goede windrichting gedraaid, kan de molenaar de wieken opzeilen naargelang de windkracht.

De witte teerlingen uit de regionale zandsteen, het tweedelig mansardedak en de bekleding van dak en wiekenzijde geven aan de staakmolen van Lombeek zijn eigen, prachtig gelaat.

Groene maar grillige windenergie

Een staakmolen kan draaien naar elke windrichting, maar dat waarborgt onvoldoende het functioneren. De windvang mag niet belemmerd worden; belemmerde wind gaat wervelen. Hoe vrijer en gelijkmatiger de wind in de zeilen komt, hoe beter het maalproduct. Daarom werden windmolens meestal buiten het dorp gebouwd op een vrije, natuurlijke hoogte of zelfs op een kunstmatige molendam.

Bomen rondom werden gehakt en vaak stond zelfs de molenaarswoning niet in de buurt van de molen. Het Lombeekse molenhuis vormt hierop een uitzondering. Voor het overige bouwde men ook deze molen afgelegen, midden de velden, op een vrije hoogte in volle wind. De heuvelrug ligt 85 meter hoog, of 40 meter hoger dan de kerkdorpel.